Schets van een Damascener

Het feno- en genotype.

Het fenotype is de uiterlijke verschijningsvorm van de duif, ontstaan uit de genetische eigenschappen en de invloed van de omgeving. Het genotype staat voor de genetische eigenschappen.

De Damascener heeft in feite een blauwe kleur, waarbij de kleur blauw in een zeer lichte uitvoering is. Nu is de blauwe kleur (genetische code is +) in combinatie met donkere vleugelbanden en een donkere staart band (genetische code ook +) de oervorm van de verschijning van de duif, ervan uitgaande dat alle duiven van de Europese Columba Livia (rotsduif) afstammen. De Europese rotsduif, maar ook de Indiase, zijn intensief blauwe vogels met donkere vleugel- en staartbanden en hebben een groene glanskleur in de hals. De genetische code van kleur en tekening is dus ++. Eigenlijk staat + voor de wildvorm. Ook het aantal slag- (10) en staartpennen (12) van de Damascener wijkt niet af van de oervorm. Als je de halskleur van de Damascener goed bekijkt dan zie je nog zeer rudimentair de groene schijn. Dat is overigens niet hetzelfde als enige paarse of roestbruine vlekjes die soms ook op de borst verschijnen.

Nu is er met de kleur blauw een bijzonderheid. De vederkleur bij duiven wordt veroorzaakt door pigmenten in de veren, die melaninen worden genoemd en die zijn er in de kleuren zwart, rood, bruin en geel. Dus een blauw pigment is er niet. De blauwe kleur is een kwestie van lichtreflectie, waarvoor de baarden in de veer verantwoordelijk zijn. De baarden van de veren bezitten een kern waarin zich zwart melanine bevindt, om de kern is een bewolkte zone afgesloten door een cortex (schil). Nu is de ordening van het pigment in de kern en zijn de luchtbellen in de bewolkte zone verantwoordelijk voor de golflengte van het weerkaatste licht en daarmee de kleur. Dit wordt het Tyndall effect genoemd. Het gaat dus om een optische kleur. Het groen aan de hals wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van geel pigment in de cortex. Blauwe reflectie en geel veroorzaakt groen. De kleurverschillen van de dieren wordt veroorzaakt door de vorm van de baarden en de diepte van de bewolkte zone, een kwestie van vorm dus. Hoe minder zwart pigment in de kern des te lichter de kleur blauw wordt. Bij het ontbreken van zwart pigment wordt de vogel wit, waarvoor de rug bij de Damascener het meest gevoelig is. Bij zwart melanine in de kern en de cortex is de veer zwart, zoals in de banden, maar ook de onderkleur van de halsveren. In feite wordt dan alle licht geabsorbeerd. De hoeveelheid zwart in de cortex bepaalt de kleursterkte, bij minder zwart worden de banden grijzig. De mate van zwart wordt uitgedrukt in een reductiefactor. Bij de Damascener wil ook wel eens een roestkleur in de banden ontstaan.

Genetisch zijn er meerdere factoren die verantwoordelijk zijn voor de lichtere kleurvormen bij duiven. Hier worden enkele genoemd om vooral de verschillen te laten zien.

De dunfactor d.

De factor d van het Engelse dilution, wordt in het Nederlands de dun factor genoemd. De kleine letter d staat voor een recessieve vererving, in tegenstelling tot een hoofdletter die een dominante vererving voorstelt. De dunfactor is een gen dat op de geslachtschromosomen ligt.

De homozygote (fokzuivere) dun factor veroorzaakt bijvoorbeeld de kleuren dun (van zwart), blauw-, bruin- (khaki), geel- en roodzilver. In Duitsland spreekt men van fahl, zoals in Nederland vroeger van vaal. Opvallend bij dieren met de dunfactor zijn de dunbedonsde jongen.

De "milky" (melk) my factor.

De fokzuivere dieren voor deze factor, maakt van blauwe dieren zilvergrijze dieren. Bij de Pauwstaarten wordt dan van poederzilver gesproken, waarbij de dieren zowel de milky factor hebben als de dun factor. De zilverkleurige Lahore heeft de milky factor ook. Milky kan ook op de grondkleuren postduivenrood (dit is dominant rood in tegenstelling tot sierduivenrood dat recessief is) en bruin worden overgedragen. Omdat bruin- en roodzilverdieren al een lichte kleur hebben valt het effect van milky niet zo op als bij een zwarte (blauwe) grondkleur. Milky is recessief en niet geslachtschromosoomgebonden. Milky en vederpoeder zijn met elkaar gerelateerd.

De ijsfactor Ic, naar het engelse icy.

De typische ijskleur van onze Damasceners, komt bij meerdere rassen voor zoals de IJsduiven, Poolse Langsnavelige Tuimelaars, Italiaanse Meeuwtjes en de Hamburger Sticken

Het gaat bij de Damascener om dieren die fokzuiver zijn voor de ijsfactor. In tegenstelling tot de jongen van verdund kleurigen hebben de jongen van Damasceners een volle dons, tenminste als de ijsfactor en de dunfactor niet tegelijk optreedt. Het is namelijk ook mogelijk dat de ijskleur in verdunde vorm optreedt (parelkleur), dan worden bovendien de staart- en vleugelbanden dunner van kleur alsook de snavel. Het vraagt echter een nauwkeurige beoordeling om het onderscheid te zien. De jongen hebben dan minder dons.

De ijsfactor is dominant en is niet geslachtschromosoom gebonden. Ook hangt de ijsfactor samen met de versterkte poedervorming. De ijsfactor kan ook op rood- en bruinzilver dieren worden overgedragen. Een voorbeeld van bruinzilver dieren met de ijsfactor zijn de parelkleurige Poolse Langsnavelige Tuimelaars.

Icy en milky zijn geen mutaties van elkaar (allelen), doch afzonderlijke genen die op afzonderlijke plaatsen op het erfelijk materiaal liggen.

Het bovenstaande geeft enige mogelijkheden aan hoe lichtere kleuren kunnen ontstaan. Dit is echter niet volledig. Genoemd zijn verschijnselen die lijken op de ijskleur van de Damascener.

Dieren met een goede kleur zijn voldoende voorhanden. Wat moeilijker ligt is een gelijke veerkleur aan hals en lichaam. Dit is gemakkelijk te testen door de duif van boven te beoordelen terwijl de kop iets naar beneden wordt gedrukt. Bij ideale vogels zie je dan geen overgang in de kleur.

In het vetweefsel zit kleurstof, het zogenoemde lipochrome, dat verantwoordelijk is voor de kleur van het dons van de nestjongen.

Alle duiven hebben donker vlees. Niet alle duiven hebben een donkere huidskleur (ook melanine pigment). Voor de Damascener is dat evenwel een kenmerk. Aan de nestjongen is dat goed te zien. Ook de poten van dieren met een goede donkere huidskleur blijven donker tot het begin van de geslachtsrijpheid, dan worden de poten rood. De kleur van de oogranden hangt hiermee samen.

Sommige ervaren fokkers beweren dat veel aan zonlicht blootgestelde jonge dieren een donkerder huidskleur hebben dan de dieren die minder zon hebben gehad. Dieren met de dunfactor hebben een lichte huid.

De ogen.

De ogen van de Damascener worden vurig robijnrood verlangd. Dat is nog niet zo eenvoudig. Het volgende kun je zoal tegenkomen.

Vogels met misvormde pupillen. Selectie is de enige remedie.

Er zijn nog maar weinig Damasceners met een scherp afgetekende zwarte pupil. Heel veel dieren hebben een grijze cirkel om de pupil, die ook heel vaak maar slechts gedeeltelijk aanwezig is. De postduivenfokkers noemen dit de verkenningscirkel of correlatie cirkel en niet zelden doen hierover theorieën de ronde in samenhang met het oriënteringsvermogen van de duif. Dan is er vaak om de pupil, al of niet met verkenningscirkel, sprake van een gele cirkel. De oogkleur in de iris vertoont vervolgens vaak teveel geel of is nog te oranjerood. Zelfs bruine ogen is geen zeldzaamheid. Kortom op het echte volledig vurig robijnrode oog met een zwarte pupil moeten we zuinig zijn.

De jongen worden met donkere ogen geboren die bij het vallen van de laatste slagpennen op z'n vroegst op kleur zijn, soms duurt het wel een jaar voordat de eindkleur wordt bereikt.

De Columba Livia heeft geel/rode dus oranjeachtige ogen met ook weer de code +. Dus veel Damasceners vallen terug naar de oervorm.

Vier hoofdkleurstoffen zijn bepalend voor de oogkleur. Dat zijn geel, wit, zwart en rood. Het rode is zeer waarschijnlijk in zijn samenstelling gebonden aan de bloedkleurstof en geen kleur op zich. Kortom de bloedvaten in de ogen bij de Damascener bepalen de kleur.

Parelogen komen niet voor bij Damasceners. Bij parelogen ontbreekt de gele kleurstof. "Slechte" parelogen hebben veel rode bloedvaten, iets wat bij de Damascener juist wordt verlangd.

De bruine kleur komt ook nog al eens voor en is vooral als gevolg van afnemend geel pigment en het krijgen van de overhand van rood (bloed)en zwart pigment.

De grootte van het lichaam en het gewicht van de vogel alsmede de schedel- en snavelgrootte vererven zich intermediair. Op deze onderdelen is het dus een kwestie van de beste dieren op elkaar zetten, of extreme dieren op elkaar waarvan de tussenvormen interessant kunnen zijn.

Psychische eigenschappen.

Ook de psychische eigenschappen vererven zich uiteraard. De Damascener is een redelijk "intelligente" vogel. De Damasceners houden zich goed aan de nesthokjes, waarmee een hoop onrust en vechtpartijen wordt voorkomen. De Damascener is ook een relatief rustige vogel, hoewel er uitzonderingen zijn. Dat zenuwachtige, schuwe, voor zover dat natuurlijk niet aan de omgevingsomstandigheden of de fokker ligt, vererft zich dominant, dus hierop selecteren is de remedie.