Huidige streefbeeld.

 

Nederlandse standaard Damascener 2012.

In deze standaard is verwerkt dat donkere veernerf niet als fout moet worden aangemerkt.

Toelichting DCN op de standaard, rekening houdend met de fokstand.

Algemeen. Het fokken van dieren is een grote verantwoordelijkheid. Zorgvuldig moet worden omgegaan met de Damascener.

Middelgroot. Er zijn dieren die te klein zijn, ook al kloppen de verhoudingen, het streven naar wat grotere dieren kan ertoe leiden dat er een wat te groot, vaak plomp dier wordt gezien. Om enigszins een waarde te noemen kunnen we uitgaan van de grootte van een doorsnee postduif, maar wel met dien verstande dat de Damascener toch wat kleiner aandoet doordat hals, benen en staart wat korter zijn. Je moet in de duif nog een goede vliegduif herkennen. Grotere dieren, vooral grotere duivinnen, kunnen goede fokwaarde hebben.

Gedrongen. Daarmee wordt bedoeld compact, kracht uitstralend, maar niet plomp. Vooral niet te lang in de achterpartij. Als je de duif van boven bekijkt moet deze breed in de schouders lijken. Dit wordt door een brede en een naar voren gewelfde borstpartij onderstreept.

Type. Compact wil zeggen dat het lichaam wat kort moet lijken hetgeen door de gewenste brede borst, korte stevige hals en middellange benen versterkt wordt. Ongewenst zijn de langgerekte types. Dan is òf de rug òf de staart te lang.

Stand. Middelhoog zoals bij een middellange hals en idem benen te zien is. Zijn hals en benen wat te lang en is de hals hierbij te slank dan is de stand te hoog, ook indien de vogel zich optrekt in borst. Bijna horizontaal is hier zo bedoeld dat de onderlijn van onderkant borst tot begin staart horizontaal moet zijn. De staart wijst daarbij iets naar beneden maar moet vrij blijven van de bodem. De ruglijn is vanaf de schouders afhellend en de bovenlijn van de staart ligt in het verlengde van de rug.

Kop. Deze is vrij groot hetgeen passend is bij de forse.hals die van opzij gezien en van voren breed is. Hierbij moet de kop passen en is dan ook breed, van boven gezien van snavel strak breder uitlopend tot in achterkop, dus eivormig. Een grote kop maakt indruk. Van opzij gezien strak belijnd ovaalrond. Tussen snavel en koplijn zit een (niet te steile) hoek. De kop bereikt zijn grootste hoogte net voor het oog, van waaruit de kop in een wat vlakkere, maar gelijkmatige boog zonder afplatting of hoeken in de nek overgaat. De kop is dus niet meer volkomen rond, zoals vroeger verlangd werd. Vlakke en hoekige koppen vererven zich sterk en zijn daarom voor de fok niet aan te bevelen. Al bij jonge dieren is dat vast te stellen, dus snel selecteren is mogelijk. De beoordeling van de kop moet steeds in de kooi plaatsvinden, omdat de schedel bij handcontrole meestal iets vlakker boven de ogen werkt. Dieren die ook in de hand de juiste kopvorm hebben zijn de klassedieren. De kopbelijning echter te beoordelen als de dieren rustig in de kooi staan. De voorkop moet breed zijn, ook bij de duivin. Van voren gezien moet de kop in het verlengde van de snavelspleet niet te sterk zijn geknepen. Echter extreem zware koppen worden niet verlangd en er is een duidelijk verschil tussen oude en jonge dieren, doffers en duivinnen.

Tekening Jan de Jong

Ogen. Deze moeten fonkelend donkerrood zijn, een mindere kleur is altijd fout. We hebben alleen nog clementie voor een smalle gele rand rond de pupil bij een verder zo donkerrood mogelijk oog. Is de gele band niet zeer smal en daarbij de oogkleur niet fonkelend dan is dit een ernstige fout. Het bruine oog is zeer overerfelijk, selectie als enige remedie, en moet daarom zwaarder "gestraft" worden. Met regelmaat komt een misvormde pupil, dit dient zwaar bestraft te worden. Verder mag gesteld worden geen vurig oog, geen predikaat F 96 pt.

Oogranden. Deze moeten tweerijïg zijn, en altijd fijn van weefsel. Jonge dieren kunnen de tweerijïge rand soms nog niet goed tonen, de tweerijïge rand moet echter wel aanwezig zijn. Zoals bekend worden wratten en oogranden altijd iets voller bij toenemende ouderdom. Tweejarige dieren en ouder moeten een dubbele oogrand tonen maar niet grof. De kleur is blauwzwart (pruimenblauw) verlangd. Bij jonge dieren fraai donker, bij ouder wordt dat soms iets lichter, maar klasse dieren blijven donker. Soms moet ter voorbereiding van de show het overdadige poeder op de oogranden worden verwijderd, door met een vochtig wattenstaafje of huidolie of iets dergelijks dit weg te wrijven.

Snavel. De zwarte snavel wordt in een stompe hoek met de kop verlangd. Hij is middellang en van gemiddelde sterkte. De verlengde snavellijn loopt midden door het oog.

Keel en wam. Beschreven is vol met kleine keelwam, hetgeen wat dubbelop is want met keelwam is de keel altijd vol. De wam moet wel goed zichtbaar zijn, eventueel de vogel in de hand wat voorover laten hellen maakt dit duidelijker. Een uitgesproken grote wam wordt niet gevraagd. De kleine wam moet als typisch raskenmerk worden bewaard, iets waaraan de laatste jaren zeer weinig zorg is besteed. De wam moet als duidelijk zichtbare vervlakking van de keellijn bij de vrijstaande duif te zien zijn. Bij U dieren moet deze wam aanwezig zijn, overigens vanwege de huidige fokstand (nog) niet te zwaar beoordelen. Nu leert de fokervaring dat bij volle en geronde koppen de wammen het minst voor handen zijn, enkele uitzonderingen bevestigen natuurlijk ook hier weer de regel. Spitse en hoekige koppen laten in de regel de beste wammen zien.

Hals. Moet fors zijn en niet te lang, breed uit de schouders komend, iets versmallend naar de kop, maar ook daar fors, breed en gevuld en daardoor een indruk van enige kortheid tonend. Geen hengstennek, waarmee wordt bedoeld een naar achteren uitgebogen lijn. De hals moet niet te lang worden. Een "giraffehals" heeft een voor dit ras vreemde uitwerking.

Borst. Deze moet breed zijn in verhouding, met voldoende,ruime voorbouw, zichtbaar voor de vleugelbogen en goed diep zodat onderborst onder vleugelboog ruim zichtbaar is. Een goede ronding tonend zonder kanten of hoeken.

Rug. Breed tussen de schouders, naar de staart toe versmallend en een afhellende lijn tonend. Een probleem van de brede borst en rugpartij is vaak het ontbreken van een goede rugdekking.

Vleugels. Als in de standaard omschreven. De rug goed afdekkend is vaak een wat moeilijke zaak. Door de beweeglijkheid in de kooi is de rug vaak iets open, in ruststand goed tot redelijk gesloten. Open rug is natuurlijk niet juist en niet aangesloten vleugeleinden zijn altijd fout, maar geef het dier gelegenheid tot rust te komen en de veren wat aan te trekken bij dit onderdeel.

Staart. Een smalle sterk opgevouwen staart wordt niet gevraagd, wel moet de staart strak zijn en geen echt brede indruk geven. De dieren beschikken doorgaans over twaalf staartpennen.De staart moet vrij gedragen worden en in het verlengde van de ruglijn lopen, dus geen hoek met de rug vormen. De staart moet ook niet meer dan circa 2 cm langer dan het einde van de slagpennen van de vleugel uitsteken.

Benen. Ze worden middellang gewenst maar moeten eerder wat kort lijken om goed te zijn. Van het bovenbeen is maar weinig zichtbaar. Stoppels of veertjes aan de poten zijn niet gewenst.

Bevedering. Met strak aanliggend wordt hier in feite bedoeld goed gesloten zodat de onderkleur niet zichtbaar wordt.

Kleur en tekening. De omschrijving van kleur en tekening is goed hanteerbaar. De ijskleur (ijskleurig) is zeer belangrijk en reeds in goede kwaliteit voorhanden. Desalniettemin verschijnen er regelmatig dieren die te blauw zijn; met bewolkte vleugelschilden; met opvallende kleine bruine zoming aan kopveertjes en zelfs met een roodachtige zweem in de borstpartij. Ook de kop en hals zijn nogal eens te donker wat kan worden beoordeeld door de kop tegen de schouders te drukken. Deze dieren moeten worden teruggezet, waarbij wel rekening dient te worden gehouden met de andere raskenmerken omdat we hier niet (meer) met een kleurduif pur sang te doen hebben. Donkere kielveren en donkere veren aan de onderrug zijn geen fouten. Een donkere veernerf, mits niet storend is toegestaan. Als achter de benen echter een donkere afzetting te zien is, dan is dat een fout. De slagpennen worden zo donker mogelijk verlangd, zwart is niet mogelijk en mag daarom niet geƫist worden. De banden moeten goed gescheiden zijn, bij voorkeur ook op de rug, en moeten zwart zijn. Het is dan wel een matzwarte kleur, mede veroorzaakt door de altijd rijke veerpoedering. De banden moeten ook goed doorlopen en breed zijn. Een breed uitlopen van de tweede band tot aan het veereinde is niet gewenst evenals een aanzet tot een derde band. Een derde band vererft zich sterk en draagt niet bij tot kleurintensiteit of dergelijke, waarom selecteren hier is aan te bevelen. De banden moeten ook goed doorlopen en beslist niet te smal worden, hetgeen nogal veel voorkomt. De jonge dieren hebben soms zeer lichte banden, wat na de rui in goede zwarte banden kan veranderen.

Bij gekraste dieren moet het kraspatroon gelijkmatig zijn en zo zwart mogelijk. Over de kleurverdeling spreekt men over een verhouding van 5/3, dat wil zeggen 5 delen zwart tegen 3 delen ijskleur in de schilden, met een gelijkmatig tekeningspatroon over het gehele schild. Aan de schouders beginnend met een fijne maar duidelijke tekening, in grootte wat oplopend over het schild en eindigend in twee scherpe banden, gescheiden door een smalle streep in ijskleur.

Juist de contrastwerking bij de Damascener van de tere lichte kleur met de zwarte aftekeningen, de donkere opvallende oogranden en het fonkelend donkerrode oog maakt dit ras zo bijzonder!

Bij de bondsshow Avicultura in januari 2004 is de gekraste Damascener ter erkenning voorgedragen, hetgeen in de loop van 2004 is gehonoreerd door de standaardcommissie. De volgende kleurslagen komen voor. In het Amerikaanse blad "Pigeon Fancier" beschrijft dr. Christian L. Otrakji uit Coconut Grove Florida zijn drieweekse reis naar Libanon in 1994. Daar trof hij Damasceners aan in een drietal kleuren en wel de volgende; de ijskleurig gebande (bhuz), de ijskleurig gekraste (umari) beide kleuren in Nederland erkent en de ijskleurig rood gebande (bhuz ahmar).

Al met al een ras met vele moeilijkheden, zodat het lang niet eenvoudig is om een topper van dit ras in de kooien te brengen.

Handleiding bij het keuren van de Damascener

Op iedere beoordelingskaart moeten de vijf volgende zaken in de hier genoemde volgorde beschreven worden; Type en Stand, Kopvorm, Ogen met Oogranden, Halsvorm met Keelwam, en Kleur met Tekening (met Tekening wordt bedoeld de vleugelbanden of Krastekening en de staartband).

In feite zijn het dus de negen belangrijkste raskenmerken die beschreven en gewaardeerd moeten worden, en indien gewenst, dient tot eventueel negen keer een predikaat te worden gegeven, echter tenminste vijf keer.

Men kan bijvoorbeeld oordelen:
ZG type met brede borst en vaste stand.
ZG kop met goede ronding en breedte.
G oogkleur, iets gele rand rond pupil. Oogrand mag niet breder.
F forse hals en prima keelwam.
ZG kleur, goed egaal en strakke banden en gezoomde staartband.

Hier is gebruikt het minimum van vijf predikaten.

Het kan ook als volgt:
ZG type met brede borst.
G stand, trekt staart wat op.
ZG kop met goede rondingen en breedte.
F oogkleur, egaal vurig donker rood.
G oogranden die wat breed zijn.
F forse hals.
ZG keelwam die toch wat sterker moet.
ZG grondkleur en banden.

Hier is gebruikt het maximum van negen predikaten.

Duitsland 2007

Noord-Amerika

Van de Amerikaanse standaard uit 1993 opgesteld door de National Pigeon Association (NPA) is hierna een vertaling opgenomen. Het is niet bekend of deze standaard inmiddels is aangepast. Zoals valt te constateren zijn er verschillen met de Nederlandse standaard. Zo wordt bijvoorbeeld de kop met al zijn facetten samen met de kleur en tekening als belangrijkste kenmerken opgevat. Op de beschrijving valt hier en daar vanuit de opvatting van de DCN ook het nodige op te merken.

Oorsprong: Men denkt dat de oorsprong is gelegen in Damascus in Syrië. Sommigen geloven dat de duif uit Turkije komt.

Kop: Een tamelijk grote kop, rond, kort, en vol in voor- en zijaanzicht, eindigend in de neusvleugel, enigszins vlak, echter zeer gering, boven op de schedel.

Hals: Goed ontwikkeld.

Snavel: Kort, hoe korter des te beter, maar lang genoeg om hun eigen jongen te voeden, zwart van kleur. De bovensnavel is een beetje naar beneden gebogen.

Neus: Krijtachtig wit, glad, hartvormig en niet te groot.

Ogen: Zeer, zeer stralend, donker gravel kleur of rood. Rode ogen zijn het meest gewenst. Bruin of pareloog of elke andere kleur is een uitsluitingsfout.

Oogranden: Gelijkmatig en tamelijk breed met een damastpruimkleur.

Lichaamstype: In vorm en grootte lijkt de Damascener sterk op de Engelse Owl, is naar verhouding iets groter en zonder kap. De keel is mooi uitgesneden en wordt afgerond met een goed ontwikkelde snavel. De borst is opvallend vooruitstekend en breed, diep en vol en verloopt fraai naar de staart. De vleugels zijn kort en moeten goed aansluiten en op de staart gedragen worden zo dat de vleugeltoppen elkaar min of meer raken.De vleugelschilden opvallend en dicht tegen het lichaam liggend. De staart is van gemiddelde lengte en wordt gedragen in een rechte lijn met de rug en is strak samengepakt. De benen zijn kort. Het gewicht is bij benadering 15 Amerikaanse ons voor de doffers en 13 Amerikaanse ons voor de duivinnen.

Benen en voeten: De benen moeten kort zijn en vrij van veren onder het voetgewricht. Helder rood met zwarte teennagels.

Kleur: Een van de belangrijkste punten van deze prachtige duif. Een ijsblauw aan de buitenkant en een roetzwarte kleur onder de oppervlakte. De buitenkleur zo lichtblauw als mogelijk zelfs tot een bijna melkwit gepoederd blauw of wit berijpt blauw. Kop, nek, schouders, lichaam, achterdeel en staart helemaal in dezelfde kleurschakering. De vleugels moeten twee brede gitzwarte banden hebben op elke vleugel en de staart moet een zeer brede gitzwarte band hebben aan het eind. De slagpennen moeten zo donker zwart zijn als mogelijk. Het achterlijf vrij van wit. Geen donkere zoming of donkere kleur op de borst.

Band en pentekening: De banden op de vleugels en ook de band op de staartuiteinde moeten gitzwart zijn. De slag- en mantelpennen moeten veel donkerder van kleur zijn dan het lichaam, zwart gelijkend. Hoe donkerder des te beter.

Conditie: Levendig en steeds in goede gezondheid.

Uitsluitingsfouten: Rode of roze oogranden. Elke vorm van kap of kuif. Slechte conditie. Oogkleur anders dan beschreven in de standaard. Elke kleur anders dan wat de standaard voorschrijft. Witte pennen. Donkere zoming op de borst.

Andere fouten waarop moet worden gelet: Witte teennagels, wit op het achterlichaam, donkerblauwe staart, bleke, vervagende banden.

Puntenwaardering:

Kop en hals 25

Snavel en neus 5

Ogen 5

Oogranden 15

Kleur 20

Banden en tekening 15

Type 10

Benen en voeten 5