De geschiedenis van de Damascener

In vele artikelen over de Damascener wordt vermeld dat dit ras reeds op papyrus en steenplaten van meer dan 5000 jaar oud te zien zou zijn. Dat geeft aan dat het hier om een van de oudste sierduivenrassen gaat. De gedachte dat de farao's dezelfde voorkeur voor duiven hadden als wij nu is ook inspirerend. In de graven van de farao's zijn gebalsemde duiven aangetroffen. Het houden van duiven was in die tijd overigens niet voor het gewone volk weggelegd, omdat het toen om heilige dieren ging. Hierna volgt een rondgang in de duivenliteratuur op zoek naar Damasceners.

De Damascener wordt voor zover bekend voor het eerst beschreven door J. Ray in 1676 in " The Ornithology of Francis Willughby". Willughby schrijft in "Ornithologica" (1674, in het Latijn) onder de naam Mawmets: "Mawmets, genoemd naar Mahomet naar ik aanneem, misschien omdat ze uit Turkije zijn meegebracht, zijn opmerkelijk vanwege hun grote zwarte ogen, overigens gelijken ze op de Barbary". Mawmet en Mahomet zijn in het Engels gelijk van uitspraak,vandaar die aanname. Dat met die "grote zwarte ogen" schrijft de Duitse landbouwkundige schrijver Hofmann in 1753 na.

De "Ornithologica" van Willighby is niet een specifiek duivenboek maar een algemeen vogelboek. De Mawmet en de Barbary waren twee van de zeventien duivenrassen die hij beschreef. Aangenomen wordt dat hij de alle hem toen bekende rassen heeft beschreven.

De Barbary States, waarvan de naam Barbary is afgeleid, vormen de landenstrook die wij Barbarije noemen. Dat is het gedeelte van Noord-Afrika dat hoofdzakelijk Marokko, Noord-Algerije, Tunesië en Noordwest Libi" omvat. De naam Barbarije ontstond in de 16e eeuw en is afgeleid van de oude inheemse bevolking, de Berbers, met de bijgedachte aan de barbaarse praktijken van de despotische heersers aldaar. Berucht waren ook de barbarijse zeerovers. Daar komt de Barbary duif vandaan.

De Barbary wordt beschouwd als de voorouder van de Barb, zijnde de hedendaagse Valkenet (of Indianer). Shakespeare noemt in 1600 in "As you like it" Act IV, Scene 1 reeds de Barbary. Hij heeft het over een jaloerse doffer van dit ras.

Men vermoedt dat oorspronkelijk de Barbary afstamt uit Perzische voorouders die behalve in Duitsland, Frankrijk, Engeland ook naar wordt aangenomen in Barberije zijn terechtgekomen en van waaruit specifieke rassen in die landen zijn gecreëerd. Zo zou de Valkenet dus zijn gevormd in Noord-Afrika.

Nu zag de Barbary er ten tijde van Willughby nogal anders uit dan de hedendaagse Valkenet. De vogel had weliswaar sprekende oogranden, maar die leken, evenals de snavel, nog volstrekt niet op wat de standaard nu verlangt van de Valkenet. Een afbeelding uit die tijd laat zelfs een gekapte vogel zien, echter wel met een brede volle borst en een behoorlijke lengte.

Volgens J. Moore in "Columbarium" (1735) zijn de originele kleuren van de Barb zwart en dun. Ook zijn er bonten in deze kleuren. Deze zijn gefokt uit de Barb en de Mahomet. Volgens Moore is de Mahomet in werkelijkheid niet meer dan een witte Barb wat het rode vlees rondom het oog erg mooi doet uitkomen, en dat de Mahomet een schelpkap heeft. Dat had de Barbary van Willughby in 1674 ook. Begin 1700, als Moore zijn boek schrijft, had de Barb al meer de kenmerken van de huidige Valkenet. Met name de oogranden zijn al opvallend groot. De snavel is echter nog bescheiden te noemen.

Moore is ook degene, die het verhaal van de profeet Mohammed volgens oude auteurs in de duivenvakliteratuur bracht. Het verhaal wil dat de Damascener de Goddelijke geboden in het oor van Mahomet fluisterde. Mahomet is de engelse naam voor Mohammed, de stichter van de Islâm, geboren omstreeks 570/580 na Christus in Mekka. Mekka ligt in Saoedi Arabië nabij de Rode Zee. Mekka dankt zijn bestaan onder andere aan de handel, namelijk de bloeiende handel tussen Zuid-Arabië, waartoe ook Jemen wordt gerekend, en Syrië, met de huidige hoofdstad Damaskus. Deze stad wordt al genoemd in de 15e eeuw vòòr Christus en kent een rijke geschiedenis waaronder vele overheersingen, zoals Turkse, Egyptische en Romeinse. Zelfs de Kruisvaarders hebben de stad belegerd. Daardoor wordt het begrijpelijk hoe internationale uitwisseling van goederen en dieren tot stand kon komen. Het zijn deze landen die worden genoemd in verband met de afstamming van de Damascener. In Damaskus wordt de duif "Buz" genoemd hetgeen "ijzig" betekent. Nog heden ten dage komt de Damascener, ook wel Jeruzalemer genoemd, daar voor.

In "Treatise" (1765), een herdruk van Columbarium van J. Moore, door J.M. Eaton, wordt met name karakteristieken van de Mahomet beschreven zoals de donkere huid en de tweekleurigheid van de veren evenals het oranjekleurige oog met (nog smalle) zwartvlezige rand. Die tweekleurigheid komt voor in de hals en kop in de vorm van een ijskleurige buitenkant met direct daaronder een donkere kleur en weer een lichte veerbasis. Ook schrijft hij dat veel fokkers van mening zijn dat de Mohammet zwarte banden moeten hebben en crèmekleurig moet zijn.

Bedoeld is ijskleurig, zeker toen nog minder rein. De donkere huid en tweekleurigheid van de veren komen bij weinig duiven voor. Hierop moeten we bij de fok zuinig zijn met name voor wat betreft de donkere huidskleur.

Buffon, de franse natuurschrijver, put in 1770 uit Willughby en Aldrovandi en schrijft "van het verenigen van tweeërlei duiven" onder andere "de Barbarey duif of de duif uit Kreta met een zeer korte snavel, een brede kale ring van huid om de ogen en blauwige veren, op iedere vleugel gekenmerkt door twee zwartachtige strepen". Verkort brengt het Ulmer Taubenbuch, 1790 dit ook zo.

Bechstein, 1795 (en 1806 hetzelfde), is de eerste Duitser die, blijkbaar niet beïnvloed, de Damascener noemt, hoewel hij eveneens Buffon volgt, doch "met wie ik echter niet in alle onderdelen instemmen kan". Na de beschrijving van de "Bagadetten" met hun "hoofdkleuren zwart, wit,erwtengeel en bruinrood" volgt een zin: "Wanneer ze wit is met zwarte banden, dan wordt ze Mohammed duif genoemd en is van grote waarde".

B.P. Brent, auteur van "The Pigeon Book" in 1859 en W.B. Tegetmeier auteur van enkele duivenboeken uit eind 1800 als grote deskundigen in Engeland uit die tijd, die ook Charles Darwin hebben geholpen, zie hierna, hebben de Damascener niet zelf gezien, behoudens wellicht een enkel koppel. W.B. Tegemeier schrijft in het hierna genoemde boek (1868) in hoofdstuk 13, dat gaat over "the barb" (de Valkenet), op pagina 137 het volgende.

Pigeons: their structure, varieties, habits and management.

De vroegere auteurs beschrijven een soort bekend als de Mohammed, of Mawmet,maar waarvan weinig bekend is behalve het feit dat het veel gelijkenis vertoont met de Valkenet met uitzondering van de kleur.

De schrijvers stemmen niet overeen betreffende de kenmerken.

Willughby als eerste, om hierop te in te spelen, verklaart slechts, "Mawmets, genoemd naar Mohammed naar ik aanneem, vermoedelijk omdat ze uit Turkije zijn meegebracht, zijn opmerkelijk vanwege hun grote zwarte ogen, overigens gelijken ze op de Valkenetten."

Moore schrijft: "Deze duif is in werkelijkheid niet meer dan een witte Valkenet, wat het rode vlees rondom het oog erg mooi doet uitkomen." Hij vervolgt dan met de legende dat de duif Mohammed werd genoemd omdat de auteur van de Koran een tamme vogel van deze soort had geleerd uit zijn oor te eten.

De schrijver van "The Treatise" uit 1765, biedt ons over dit onderwerp een paragraaf met verrassend materiaal en verklaart: "Ik geloof dat de heer Moore bijzonder goed heeft verklaard waarom het zo wordt genoemd: echter het is de mening van vele fokkers dat de vogel genoemd als Mohammed welhaast crèmekleurige is, met banden op de vleugels zo zwart als ebbenhout, zeer bijzonder zijn de tweekleurige veren; het bovenste deel of te wel de zichtbare buitenkant is crème, en de onderkant heeft een soort roetkleur, bijna zwart; evenals de slagpennen en zelfs de huid hetgeen ik nooit eerder waarnam bij een andere duif; qua afmeting veel gelijkend op een Turbit, met een goede keel en in plaats van een jabot lijken de veren meer een naad te vormen: de kop is kort en toont breed; een roodgeel oog en een kleine kale ring van zwart vlees om het oog, en een bek die gelijkt op die van een goudvink waarop een kleine zwarte wrat."

Vanuit deze zeer uitgebreide berichtgeving blijkt dat ze sinds honderd jaar werkelijk bestaan, een Valkenet-achtige soort met zwarte huid en wratten en donker onderaan het witte verenpak. In dit opzicht gelijkt de vogel enigszins op de zwarthuidige zijdehoen. Het bewijs van het in stand blijven van hun bestaan is van groot belang voor die natuurkenners die de variatie van soorten hebben bestudeerd, en de schrijver zou zeer bereidwillig zijn om alle redelijke kosten te vergoeden die zijn lezers zouden moeten maken door het aan hem verzenden van vogels van dit ras, zouden zij in de gelukkige omstandigheid komen ze tegen te komen, waar ook ter wereld.

Mr. Brent schrijft in de "Poultry Chronicle," jaargang II. pagina 202: "Dit is een van de sierduiven soorten waarvan ik maar een zeer geringe kennis heb, ik heb slechts èèn keer een koppel gezien bij een Londense handelaar en hun verschijning deed me denken aan een kruising tussen een Owl en een Valkenet; desondanks, hun wam, zwarte wrat en huid, zijn naar ik veronderstel voldoende onderscheidende bijzonderheden om ze een plaats te geven onder de sierduiven als een apart soort".

We moeten betwijfelen of de vogels die oppervlakkig gezien zijn door de heer Brent de zwarte huid en wrat bezaten zoals beschreven door vroegere auteurs. Zeker een kruising tussen een Owl en een Valkenet geeft geen aanleiding tot zulk een kenmerk.

Tot zover de tekstpassage over wat nu de Damascener wordt genoemd.

Charles Darwin, de grondlegger van de evolutietheorie, beschrijft in 1868 in het boek "Het variëren van de huisdieren en cultuurplanten" uitgebreid over tamme duiven. Hij noemt daarin de Damascener niet. Dat is ook niet zo verwonderlijk omdat hij vooral zocht naar het bewijs dat alle tamme duiven afstammen van de Columba Livia, de rots- of klipduif zoals hij die zelf noemde. Hij heeft zich daarom vooral verdiept in de extreem afwijkende duiven ten opzichte van deze oerduif. De Damascener uit die dagen hoorde hier niet toe.

Darwin, die overigens lid was van twee Londense sierduivenverenigingen en ook zelf duiven heeft gehouden en gefokt, classificeert de duiven in een viertal groepen. Die verdeling is gebaseerd op de uiterlijke verschillen en gelijkenissen. Zo heeft hij een groep II gevormd waarin hij de forsere en soms wratachtige duiven plaatst. In groep I plaatst hij de Kroppers, in groep III globaal de Pauwstaart, Meeuwen, Tuimelaars en Structuurduiven en in groep IV globaal de Trommelduiven en Kleurduiven.

Als stamduiven voor groep II die nog betrekkelijk dicht staan bij de klipduif, maar die al enigszins opvallen door afwijkende snavel, grotere oogranden en wratvorming noemt hij de KaliPar, Murassa, de Bagdad Postduif en de Bassora Postduif. De herkomst van de Kali Par is niet geheel duidelijk. Een vogel met een al wat langere snavel en wratvorming, overigens veel lijkend op de Klipduif. De Murassa komt van Madras, dat onder in India ligt. Deze vogel heeft een wat dikkere en langere snavel dan de Klipduif. De Bagdad Postduif wordt apart onderscheiden van de Bassora Postduif. Bagdad als hoofdstad van Irak, het land van de twee stromen de Eufraat en de Tigris. De Bassora Postduif ontleent de naam aan de plaats Basra dat in Irak ligt op de grens van Perzië. Perzië dat thans zijn oorspronkelijke naam Iran weer heeft. De duif heeft opmerkelijk grote ogen, zonder dat er sprake is van vergrote oogkassen volgens Darwin. De tegenwoordige Turkse Duif zou nog sterke gelijkenis met deze rassen vertonen.

Dan voert Darwin voor hoofdgroep II een verdeling in over drie ondergroepen. Darwin maakt zelf een wat andere indeling en rangschikking, die echter door deskundigen in de Nederlandse vertaling van Darwin's meesterwerken wordt bekritiseerd. Met inachtneming van die kritiek, andere literatuur en huidige inzichten is een volgende groepenverdeling aan te houden.

Ondergroep 1.

Een groep aangeduid met Carriers. In deze groep valt de Engelse Carrier, de Dragoon die vroeger Dragonder werd genoemd, en de Bagadetten.

Ondergroep 2.

Een groep grote zware huisduiven, die hij als groep de Runtduiven noemt. Deze groep bestaat uit de Florentiner, de Spaanse en Romeinse duiven (de Romein met in de tijd van Darwin al met een vleugelspanwijdte van circa één meter!) en de Tronfo. C.A.M. Spruijt spreekt in Raskenmerken (1948) van Tronso (pag. 415). Deze duif wordt ook door Aldrovandi (1603) genoemd. Het zou hier gaan om een Burmeese duif (Indo China) met opgeheven staart, waaruit in Italië de Modena en de Malthezer Kipduif (vervolmaakt in Oostenrijk) is gefokt. Zeg maar dat in deze groep de kipduiven vallen.

Ondergroep 3.

De Valkenet.

Deze onderverdeling van Darwin, met de doorgevoerde correcties, is natuurlijk betrekkelijk. Elke indeling kent zijn beperkingen, zeker bij duiven, ervan uitgaande dat ze allemaal uit dezelfde stamduif, de klipduif, zijn ontstaan. Immers dan zullen er vele geleidelijke overgangstypen zijn geweest. Slechts de extreme vormen, die zich fokzuiver voortplanten, zijn duidelijk in te delen. Bovendien lijkt de hedendaagse verlangde standaard vaak al niet meer in de verste verte op de dieren toen. Zelfs in enkele jaren kunnen rassen sterk veranderen, zoals de Oud Hollandse Meeuw en de Nederlandse Hoogvlieger aantonen.

De diverse soorten postduiven en schoonheidspostduiven vinden in meer of mindere mate hun afstamming uit deze groep. Hoewel aan de meeste soorten diverse rassen ook uit andere groepen ten grondslag hebben gelegen. Voor de verbetering van de postduiven, met name voor de fondvluchten, zijn Carriers van het oude type ingekruist. Zo is de Antwerpse Postduif ontstaan.

Aardig is te vermelden dat een van de oudste Chinese rassen een postduif is die Levi de Tungkoon Paak noemt. Tungkoon verwijst naar een plaats in de Chinese provincie Hubei (Hupeh). Het gaat hier om een oorspronkelijk Chinees postduivenras dat in staat is over grote afstanden (600 km en meer) het hok terug te vinden. Volgens Levi hebben ze een enigszins "Bagdad" uiterlijk wat zoveel als een zeer vroegere Carrier betekent. Bijzonder aan deze duif is dat hij alleen in de kleurslag zilvergrijs tot ijsblauw voorkomt, met een sterke poedering als een kenmerk van deze kleurslag, dus sterk overeenkomstig de Damascener met precies dezelfde tekening.

Veronderstel, in aansluiting op de engelse literatuur, dat de Damascener in de groep II van Darwin thuishoort. De eigenschap van de Damascener om vanaf enige afstand het hok terug te kunnen vinden valt uit deze oorsprong te verdedigen. Het typische robijnrode oog, zoals een goede Damascener moet hebben, tref je ook aan bij de Dragoon. Wat bijzonder is de opmerking van Darwin over de opvallend grote ogen van de Bassora Postduif. Ook Willughby schrijft dat over de Mawmets. En ook Sayzid Mohammed Musari schreef hierover in Perzië omstreeks 1760. Als je de afbeeldingen van J.W. Ludlow uit "The Illustrated Book of Pigeons" van Robert Fullton uit omstreeks 1870 beziet dan zijn de dieren die in groep II van Darwin vallen, inclusief de Damascener en de uit deze groep gefokte schoonheidspostduiven, met opvallend grote ogen getekend in vergelijking met de andere rassen.

Dus de Nederlandse indeling in de kleurduivengroep is terecht gewijzigd in de vormduivengroep. Maar zelfs de wratduiven zou te verdedigen zijn. Immers van deze duif wordt een twee rijïge oogrand verlangd, die echter nog nauwelijks goed wordt geshowd. Meer rijïge oogranden is een typisch kenmerk van de wratduiven. Hoewel van de duif een fijne oograndstructuur in pruimenblauw wordt gevraagd, zie je zeker bij oudere vogels aanleg voor forsere wratvorming om de ogen. Ook zie je vaak, als een tweede oogring niet volledig aanwezig is, veel huid onder het oog. Ook de snavelwratten willen bij oudere vogels flink groter worden. Kenmerken die allemaal duiden op de afkomst.

Robert Fulton, 1876: deze auteur laat de Griekse meeuwenfokker Caridia het ras "of nu juist genoemd of niet" als Damascener beschrijven. En diens vriend op zijn beurt, de schilder J.W. Ludlow, schilderde een excellent paar.

Het is voorzover bekend de eerste afbeelding van dit ras. Het is uit te sluiten dat er toen zulke edele duiven waren, het had betrekking op de uitdrukking van het wensbeeld en dan een met ver vooruitziende blik! Dit artikel en de afbeelding is door latere auteurs veelvuldig in dezelfde of enigszins aangepaste vorm gebruikt.

The illustrated book of pigeons. Geschreven door Robert Fulton en uitgegeven door Lewis Wright met afbeeldingen door J.W. Ludlow.

 

Door de heer Caridia is onderstaande informatie in het boek aangereikt.

De Damascener

Als ik goed geïnformeerd ben was dit ras, wel of niet met de juiste naam, veertig jaar geleden zo veelvuldig in het Oosten, dat zij in Smyrna veelvuldig gebraden werden op Oosterse wijze; echter in mijn jonge jaren was er geen enkel exemplaar overgebleven, zelfs geen spoor van het ras; maar fokkers slaagden er toch in een aantal vogels te verkrijgen van het zelfde oude type.

Zij vermeerderden deze voorspoedig en ze deden dat volgens wat zij mooi vonden door ze met een sneeuwhoen uiterlijk te fokken, en omdat deze vogels niet zo mooi zijn als de driekleurige (vertaler: Oosterse meeuwen), hield slechts een klein aantal fokkers ze, met als gevolg dat ze niet talrijk waren.

De Damascener moet een sterke en krachtige lichaamsbouw vertonen, met de vorm van kop en snavel als van de Engelse Owl, echter een beetje groter van maat, en zonder jabot. De twee voornaamste punten, eigen aan deze vogels, maakt ze erg aantrekkelijk, namelijk de grote blauwe randen om het oog in de kleur van damastpruim, en de vederkleur, in een zeer helder zilver of Frans wit tint, waarop de intensiteit van de zwarte banden een opvallend kenmerk is. De staart heeft ook de zwarte band, maar de vleugel en staartpennen zijn donker gekleurd, intensiever aan de buitenste uiteinden.

Hoewel het verenpak van deze vogels aan het oppervlakte zo helder is, het onderste donzige gedeelte van elke veer, en in het bijzonder van de nekveren, zijn donker gekleurd. De snavel en nagels zijn zwart, het oog licht roodgeel.

Damasceners zijn actief van aard en vliegen graag, en hebben een zeer vastberaden natuur, gedijen het best in vrijheid, en eenmaal gewend, hoeft men niet bang te zijn dat ze verdwaald raken.

Dit ras is naar mijn mening een van de meest bruikbare voor experimentele doeleinden.

Een correcte pentekeningkopie van een van de dieren kwam spoedig daarop in Wrights boek (1878). En dan dook de afbeelding op in alle oplagen (1878-1908) van de Duitser A.C.E. Baldamus. Deze auteur nam de tekst van Fulton vertaald over, en zijn latere bewerkers (Beekman en Schachtzabel) lieten het daarbij.

In het Geïllustreerd Handboek der Pluimveeteelt door A.C.E. Baldamus, derde druk voor Nederland bewerkt door J.H. Beekman, redacteur van Avicultura, tweede deel staat onderstaande informatie aan over de Damascener.

Naast de nutduiven worden onderscheiden de luxe- of sierduiven. De sierduiven worden verdeeld in twee onderafdelingen de kleurduiven en de vormduiven. De vormduiven worden in tien groepen verdeeld. De tiende groep vormen de wrat- of snavelduiven. Hieronder wordt de Damascener gerekend.

1. De Damascener duif – Columba damascena. The Damascena. Pigeon damascène (ook Pigeon nain de Jérusalem). Damaszener Taube.

Deze sierlijke duif, van Oosterschen stijl – zij draagt haren naam naar de stad Damascus in Syrië – is, ofschoon zij evenals de Capucynerduif reeds lang bekend is, ook als deze op eene onverdiende wijze verwaarloosd geworden. Voor ongeveer 60 jaren werd zij in het Oosten zoo menigvuldig aangetroffen, dat zij in Smyrna tot spijze werd gebruikt.

De heer Caridia vond daarvan echter in den eersten tijd van zijne liefhebberij reeds geen spoor meer in Smyrna. Andere liefhebbers daarentegen waren zoo gelukkig nog enkele paren "van den ouden stijl" machtig te worden, welke vermenigvuldigd en met bevederde poten gefokt werden.

Desniettegenstaande en misschien wel juist daarom is de Damascener duif in het Oosten niet populair geworden en niet talrijk vertegenwoordigd.

Sommigen beschouwen deze duif ook wel als een kruisingsproduct van de Engelsche Owl en een Oostersch Meeuwtje.

De Damascener duif is een weinig groter dan de Engelsche Owl; kop en snavel komen met die van dat duivenras overeen; de eerste is tamelijk groot, heeft een tamelijk breeden, fraai gewelfden schedel, een niet bijzonder steil voorhoofd, en zit op een sterken loodrecht gedragen hals; de snavel is zwart, kort en nagenoeg kegelvormig. Het oog is helder en oranjekleurig, de groote oogringen zijn donkerblauw, de korte en naakte pooten levendig rood van kleur.

Houtgravure naar teekening van Jean Bungartz F.A.

De beide hoofdpunten echter, welke dit ras zoo aantrekkelijk maken, zijn de teere zilver-poederkleur van het gevederte, waarmee de diep zwarte vleugelbanden een heerlijk contrast vormen, en de tamelijk breede, pruimblauwe, vleezige oogringen, welke prachtig tegen de oranjegele iris en niet minder tegen het melkwitte gevederte afsteken.

Ook de een weinig donker genuanceerde slagpennen en staartveeren, welke laatste aan het eind een diep zwarten, met wit gezoomden band hebben, maken een zeer fraai effect. Eene eigenaardigheid van de gepoederde zilvergrijze kleur is, dat de witte contourveeren, voornamelijk die van den hals, aan de uiteinden donkere donzige baardjes hebben. Voornamelijk wegens deze eigenschap is er veel voor de meening van Caridia, dat de Damascener duiven voor kruisingsproeven bijzonder geschikte voorwerpen zouden zijn. Zij zijn bovendien ook zeer levendig, vliegen goed, gedijen goed bij vrije uitvlucht, doch eischen eene goede verzorging, wanneer men ze opgesloten houdt.

De lengte dezer duif variëert tusschen 32 en 34 centimeter.

Lyell (1881, 1883 en 1887 noemt ze weer Mohammeds en vergelijkt voor de eerste keer hun kleur met die van de ijsduiven. Zijn zelfgeschilderde afbeelding is niet zo indrukwekkend als die van Ludlow. Brent en Lyell berichten bovendien bijzonderheden over importen naar Engeland: eind van de jaren 1860 zou een koppel uit Istanbul naar Schotland gekomen zijn, de doffer die overleefde is een jaar later in Glasgow tentoongesteld. In 1883 kreeg Lyell enkele paren uit Klein Azië. De import in de 18e eeuw is echter niet bewezen.

The Mahomet Pigeon (Damascener) uit "Fancy Pigeons" van J.C. Lyell 1887

Gustav Prütz, 1886, behandelt in het "Illustrirtes Mustertaubenbuch" onder andere de Damascener in een supplement. Foutief noemt hij ze verwant aan de Oud Hollandse Kapucijn en rekent ze tot de tuimelaars. Zijn laatste zin: "De Damasceners zijn zeer levendig en voortreffelijke vliegers, en omdat ze in Engeland zeer geliefd en daarom ook niet duur zijn, worden ze van harte aanbevolen aan liefhebbers van tuimelaars".

Afbeelding Prutz

Damascener in Illustrirtes Mustertauben-Buch van Güstav Prütz omstreeks 1887

Bruno Dürigen, 1886, heeft geen afbeelding en slechts een korte beschrijving ter beschikking. Daar wordt beweerd: "…is ze sinds kort en zeer sporadisch naar Duitsland en Oostenrijk gekomen". Een stelling over de eerste import in Duitsland, kennelijk uit het Aziatische land van oorsprong, zoals hij dan in 1906 schrijft. Deze tekst wordt gehandhaafd bij alle uitgaven, maar de uitgaven 1921 en 1923 laten de afbeelding uit Baldamus, 1878, zien.

Bungartz, 1891, 1893 en 1922, Friedrichs, 1896 en A. Lavalle en M. Lietze, 1905 in "Unser Hausgeflügel II Teil", schrijven niets nieuws over het ras, publiceren echter allen een afbeelding naar Ludlow.

In de tabellarische opstelling van de duivenrassen in Marten, 1895, zijn de Damasceners opgenomen, ze worden echter bij de meeuwen neergezet.

Door de Engelse Lumley, 1895, wordt een nieuwe tekst geschreven, zonder nieuwe inhoud.

In Schachtzabels "Prachtwerk sämtlicher Taubenrassen" van 1909, 1925 en 1930 ontbreekt de Damascener, mogelijke vanwege zeldzaamheid en/of plaatsgebrek.

Wittig, 1925 schrijft alleen wat vroegere auteurs al aangaven en brengt het 50 jaar oude beeld van Ludlow.

Verbazingwekkend is dat C.A.M. Spruijt in zijn boeken uit de jaren twintig tot kort na de oorlog de Damascener in het geheel niet noemt. Pas in zijn grootste werk "Onze Duivenrassen in Woord en Beeld" (1955) komt hij met het ras en schrijft over twee Nederlandse fokkers in de periode 1925 en 1935. De door J. Lentink geschilderde afbeelding vertoont veel gelijkenis met Ludlow.

Onderstaand artikel is uit "Onze Duivenrassen in Woord en Beeld" van C.A.M. Spruijt, N.V. Uitgeverij W.P. van Stokkum & Zoon Den Haag. Geïllustreerd door Johan Lentink.1955.

171. DAMASCUSDUIF

D. Damaskustaube

E. Damascene

Fr. Pigeon Damascàne

Onder de vele bijzondere rassen, die van uit het oosten tot ons Europeanen, zijn gekomen, neemt de Damascusduif een bijzondere plaats in. Zoals de naam reeds zegt, stamt deze fijne, prachtig gekleurde vogel, uit Klein-Azië, en in 't bijzonder de stad Damascus, waar een 100 jaar geleden, dit ras huis aan huis werd gehouden, en een hooggeschat gebraad opleverde. Thans is dit geheel anders geworden, en is de Damascusduif in eigen land even zeldzaam geworden als in de Europese landen. Onbegrijpelijk, want de Damascusduif is een zeer typische verschijning, die met haar zeer fijne zachte lichtgrijze ijskleur, prachtig orange-geel gekleurde ogen, gevat in donker pruimenblauwe brede oogranden, diep-zwarte vleugelbanden, een korte zwarte snavel, een machtige indruk maakt.

Tussen de jaren 1925 -1935 bezat Nederland een tweetal speciaalfokkers van dit ras, en telkens weer was het een verrukking, collecties van deze vogels op de tentoonstellingen te aanschouwen. Ook in Engeland en later in België en Frankrijk kon men vertegenwoordigers er van aantreffen.

In algemene zin gelijkt het ras veel op een jabotloze, flink ontwikkelde meeuwduif, kort, breed van borst, laag gesteld, op korte onbevederde knalrode beentjes.

De kop is vrijwel kogelrond, kloek van model, en altijd ongekapt. De snavel, is kort, breed, en aan de basis zeer krachtig, met stompe harde punt; altijd laag gericht, en met het voorhoofd bijna, één lijn vormend. Altijd pikzwart van kleur. Midden in het grote hoofd zitten de grote, rood-oranje gekleurde ogen, omsloten door zeer brede, cirkelronde pruimenblauw gekleurde oogranden, fijn van weefsel en strak om de ogen gesloten. Deze oogranden kunnen nimmer te breed worden, mits fijn van weefsel blijvend. De keel is rond, scherp uitgesneden, iedere wamvorming is foutief. De hals is middellang. Krachtig en licht gebogen, en rijst breed en vol uit de brede, sterk naar voren tredende borst te voorschijn. De borst verloopt vol en diep in de buik. Trouwens het gehele lichaam is kort en gedrongen, waarbij de naar achter aflopende, brede, tikje geronde rug zich bij aansluit, die in de middellange staart verloopt. De vleugels zijn overeenkomstig de gehele lichaamsbouw, kort, breed en goed gesloten en dekken rug, stuiten staart volkomen af.

De Damascener komt, merkwaardig genoeg, slechts in één kleurslag voor en wel zuiver zilverachtig, melkwit met aan de hals een donkerder glans, die reliëf, aan de kleur verleent. Ook de vleugelpennen dragen een donkerder kleur, evenals de staart, met zijn donkere, dwarsband. Deze tegenstelling gepaard aan de betrekkelijk brede, diep doorgaande pikzwarte vleugelbanden, verlenen de vogel, de sterke tegenstellingen en de rijkdom van kleur en tekening, waarbij de mooie oogkleur met de brede oogranden zich aansluiten. Maar het meest merkwaardige aan de vogel is toch wel, dat deze prachtige, lichte zilveren kleur gepaard gaat, met een volkomen donkere onderkleur van het gevederte, en een heel donkergekleurde huid.

De Damascener is een uiterst vrolijke, vlotte vogel, goede vlieger, met een behoorlijk ontwikkelde oriënteringsvermogen; uitstekend kweker en zorgzame voeder; daarbij prachtig doorgefokt en gehard tegen moderne duivenziekten. Een ras dat een grote verspreiding volkomen verdient.

In de Verenigde Staten waren Damasceners steeds zeldzaam. Levi (1941) schrijft over slechts één fokker. In 1954 importeerde toen een Syriër van geboorte uit Damaskus talrijke oosterse rassen in de Verenigde Staten. Dat beschrijft Levi in 1957. De foto's in de boeken van Levi van voor de laatste wereldoorlog en na de import in 1954 zijn niet te vergelijken met de huidige Europese dieren. Tot heden bleef het ras, ondanks een speciaalclub zeldzaam in Noord Amerika. Nog voor de genoemde import beschrijft Macklin (1954) de Damasceners in zijn boek en brengt bovendien een eigen potloodtekening, een zeer goede kopie van de Ludlow afbeelding.

Edmund Zurth schrijft van 1956 tot 1969 in de drie uitgaven van zijn boek "Die Welt der Tauben" weinig over de Damascener. In 1962 voegt hij een nieuwe alinea toe, waarin de Arabische naam "búz" voor de eerste keer wordt genoemd en als fokgebieden behalve de oosterse landen van oorsprong ook de Verenigde Staten, Duitsland en Denemarken aangeduid worden. In de eerste beide uitgaven is een niet zo fraaie afbeelding van een zeer slecht (gekruist) dier opgenomen. In 1969 verschijnt de fraaie foto uit Denemarken, die dan langere tijd als standaard dient.

De bedoelde foto staat hierboven. Het is inderdaad een fraaie foto. Het lijkt er echter op als de foto zorgvuldig wordt bekeken dat het zwart met name van de oogranden en ook de snavel iets is aangezet op de afbeelding. Desalniettemin blijft het een fraai dier uit die tijd.

Erich Müller, 1979 geeft met een nieuwe foto en de gebruikelijk beschrijving de moderne ontwikkeling aan: "De vrienden en fokkers van dit edele ras zijn over de gehele wereld verspreid. Dank zij de activiteiten van de speciaalclub zijn bij ons de laatste tijd steeds meer liefhebbers enthousiast over dit ras."

Joachim Schütte heeft in alle vier uitgaven (1971-1994) van zijn boek dezelfde tekst. In de laatste uitgave wordt een zeer mooie duif afgebeeld.

In het "Handbüch der Taubenrassen" (1975) deelt Joachim Schütte de Damascener in bij de wamduiven. De Duitse standaard kent die onderverdeling niet. Daar hoort de Damascener tot de groep vormduiven, waar onder andere de wamduiven zijn ondergebracht vergelijkbaar met de Nederlandse standaard. De standaard verlangt bij Damasceners een keelwam, hoewel niet in die mate als bij de "echte" wamduiven. In de praktijk zie je nauwelijks duiven met een keelwam vergelijkbaar met wamduiven. Veelal beperkt de wam zich tot enige veerverdikking onder de snavel. Scherp uitgesneden kelen zijn echter nog aan de orde van de dag. De wamduif vindt zijn ontstaan in landen als Syrië, Libanon, Irak en Iran. De wamduif heeft verwantschap met de Oosterse Meeuwen, die ook zijn oorsprong kent in dit gebied. Ook de meeuwengroep is via Noord Afrika (Barbarije) naar Europa gekomen.

Schütte onderscheidt:

1. Een Syrische familie met plaatsnamen als Beirut (Libanon; grenst aan Syrië en ligt vlak bij de plaats Damaskus), Basra (Irak/Iran) welke plaatsnaam we ook reeds bij Darwin tegenkwamen.

2. De Portugese wamduiven zijn van latere datum en uit de Syrische duiven en onder andere Valkenetten, Meeuwen ontstaan.

3. De Libanon duif, als een zeer oude wamduif.

4. De Damascener.

5. De Somabial duif, die nog in India wordt gefokt en elders in Zuidwest Azië. Ze worden daar beschouwd als verbastering van de Damascener.

In het in 1975 verschenen boek "Die Huhn- und Formentauben" geschreven door rasspecialisten, is een zeer uitvoerig hoofdstuk over Damasceners van Karl Günther, toendertijd de voorzitter van de Duitse speciaalclub, opgenomen, met ook een foto. De uiteenzetting gaat van de literatuurgeschiedenis tot de doelen van de speciaalclub.

In de DDR literatuur zoekt men de Damascener tevergeefs. Alleen Dr. Engelsmann beschrijft ze in het boekdeel "Rassetauben", 1973.

In tegenstelling tot Engeland heeft Frankrijk in de oude literatuur nauwelijks iets over Damasceners te bieden. Toch moeten al in de 19e eeuw uit de kuststeden van Arabië, in het bijzonder Beiroet, Damasceners met andere rassen naar Zuid Frankrijk gekomen zijn.

Naar Denemarken kwam na de laatste wereldoorlog een paar Damasceners uit de Verenigde Staten en daarna enkele dieren (import) uit Amsterdam. De Deense fokker Ovesen leverde na enige jaren dieren af aan Zwitserland en Noord-Duitsland, waar zij zich goed vermenigvuldigden en tot begin jaren zestig ook tentoongesteld en zonder standaard werden beoordeeld. In de latere zestiger jaren was er bovendien een zeer goede kweek in Oberbayern.

Afbeelding Joh. Lentink zoals die vòòr 1996 als Nederlandse standaard gold.

Afbeelding van Jan de Jong zoals gehanteerd voor de Nederlandse standaard van 1996 tot 2012.

De Duitse standaardtekening tot 2002.

In het juli nummer van het tijdschrift Avicultura uit 1973 staat onderstaand artikel van de heer Moezelaar.

DE DAMASCENER een zeldzame duif van een uitzonderlijke schoonheid.

Een ras dat mij altijd ontzettend geboeid heeft is de Damascener. Voor het feit dat ik er nooit mee begonnen ben weet ik dan ook geen redelijke verklaring te geven. Even voor de oorlog was ik in Brussel in de gelegenheid een paar aan te schaffen. lk was er weg van en heb ze later nooit meer in die kwaliteit aangetroffen. Jaren later kon ik me nog wel voor het hoofd slaan als ik die twee Damasceners nog eens in mijn gedachten voor me zag. Hoe heb ik die kans voorbij laten gaan, denk je dan! Maar ja, grensmoeilijkheden en ... je kunt toch ook niet alles hebben wat je mooi, lief of aardig vindt.

In de dertiger jaren exposeerde de heer Overtoom uit Hilversum nog wel eens Damasceners en in de zestiger jaren kreeg ik zelf een paartje onder ogen van de inzender-keurmeester Baars uit Amsterdam. lk heb ze echter nooit meer teruggezien. Maar dat is dan alles wat mij van belangstelling in Nederland voor dit bijzonder fraaie en edele ras bekend is.

In Engeland, waarin de dertiger jaren keurmeester A.R.W. Woods als secretaris van de Variety Pigeon Club gedegen propaganda voor het ras voerde, heeft de Damascener na de oorlog het verloren terrein ook niet meer kunnen herwinnen. In Duitsland komt men ook maar zo nu en dan een koppeltje tegen en altijd van twee dezelfde inzenders. In Amerika daarentegen wordt het ras wel regelmatig op shows getoond, zij het niet in grote aantallen. Ook wordt dit ras daar graag gebruikt tot verbetering van de blauwe kleurslag bij Tuimelaars.

Want die kleurslag is iets fantastisch! Dat glanzende ijswit, dat hele fijne poederzilver met zwart onderdons en met een zwarte huid, zoals bij Zijdehoenders. Voorts de robijnrode ogen van de Dragoon en de paarszwarte oogranden van de Budapester. Dit is een ras, dat een echte liefhebber met gevoel voor schoonheid en rasadel in hoge mate moet boeien.

Geheimzinnig.

Het is ook weer een van die Oosterse rassen met een geheimzinnige achtergrond. De meningen van schrijvers uit de oudheid lopen over het ras nogal uiteen, maar vast staat toch wel dat het een zeer oud ras is uit het Midden-Oosten, uit de streek van Syrië en Libanon.

Willughby in 1676 en Moore in 1735 beschrijven de Damascener als Mohammed-duif en geven Turkije als land van herkomst aan, terwijl Aldrovandi in 1599 reeds van Damascusduif spreekt. Baldamus daarentegen schrijft in 1798 letterlijk: deze sierlijke duif van Oosterse stijl, zij draagt haren naam naar de stad Damascus in Syrië, is ofschoon zij evenals de Capucijnerduif reeds lang bekend is, ook als deze op ene onverdiende wijze verwaarloosd geworden. Voor ongeveer 60 jaren werd zij in het Oosten zo menigvuldig aangetroffen, dat zij in Smyrna tot spijze werd gebruikt.

Opvallend is dat de afbeelding in het boek van Baldamus de Damascener te zien geeft, zoals hij heden ten dage nog als ideaalbeeld verlangd wordt.

Kleurduif van de eerste rang.

De Damascener is een kleurduif van de eerste rang door haar unieke kleur, een heel zacht en teer poederzilver met zwarte bek en zwarte oogranden, met zwarte vleugelbanden en zo donker mogelijke slagpennen. Het voornaamste punt van dit ras is de kleur. Maar eigenlijk is de kop niet minder belangrijk.

Vooral de uitdrukking. Een Damascener kan op het oog nog zo hoogfijn van kleur en banden zijn, wanneer de kopvorm, de oogkleur of de oogranden te wensen laten, verliest de vogel zijn waarde.

Bij dit ras komt maar één kleur voor en dat dit de enige echte en goede is, daar heeft nooit enige onenigheid over bestaan. Het is een heel fijn, zacht en teer poederzilver, eigenlijk over het gehele lichaam een glanzend ijswit, zoals men dit bij de beste IJsduiven verlangt. Een zo licht mogelijke ijskleur, hoe lichter hoe beter, tot bijna wit. Bij een egale, heel lichte zachte tint, zal de rug meestal wit zijn, wat toegestaan is.

Echter té licht kan ook wit in buik opleveren en dan gaat hiermee vaak gepaard een lichte, althans gedeeltelijk lichte bek en oogranden, lichtere slagpennen en een crème tint in de nek. Want dat is ook heel belangrijk: hals en nek mogen niet de minste nuance vertonen. De kleur daarvan moet gelijk zijn aan de schildkleur.

Hoewel men vaak iets te donkere vogels inzet bij de fok om de donkere monstering van oogranden en bek te behouden, is hieraan het gevaar verbonden dat de nafok blauw in de hals vertoont, alsmede een donkere schaduw over het geheel. Een goede Damascener moet in ruststand geheel wit schijnen. Eerst wanneer hij zich gaat bewegen komt er iets schimmering in de kleur door het donkere dons.

De kop even belangrijk.

Zoals reeds gezegd, al is deze uiterst fijne en tere kleur dan ook een van de allerbelangrijkste factoren in de fok van Damasceners, evenzo speelt de kop een rol op hoog niveau, want de fijne kleur kan de vogel niet aan een hoog predikaat helpen als er geen prima kop op zit. Dat wil zeggen een kop met een absoluut ronde en brede schedel, zonder enige onderbreking en met een keelwam, die aanwezig moet zijn. Even voornaam is de oogkleur, die zo vurig robijnrood moet zijn, zoals wij die alleen bij de allerbeste Dragoons kennen.

Men kan bij de Damascener eigenlijk moeilijk spreken van dit of dat is het belangrijkste, want is er iets dat zwaarder weegt dan de goede oograndkleur? Die moet pruimenpaars bij zwart af zijn, tamelijk breed en tweerijïg.

lk heb ze gezien met lichte vlekjes daarin en dan is meteen het edele van zo'n Damascenerkop verdwenen. Zijn de oogranden goed, dan is de snavel ook pikzwart en daarbij de nagels.

Alzo, het gaat dus om de beste koppen op de best gekleurde vogels. Het een zonder het ander kan nooit tot een hoog predikaat leiden.

Dan volgen bij de beoordeling de vleugelbanden. De banden variëren ontzettend, maar verlangd worden zwarte banden en liefst breed. Fout zijn smalle, lichte, roestige of grijze banden. Dit geldt ook voor de staartband. De slagpennen worden zo donker mogelijk verlangd, hoewel natuurlijk nooit die diepte in kleur van de banden verlangd kan worden.

Als ik jonger was en nog de ruimte had van vroeger bij het oude huis zou ik twee wensen hebben: nog eens terug in de Hollandse Kroppers van mijn jeugdjaren en nog eens beginnen met Damasceners.

Onderstaande tekst is een gedeelte uit een artikel dat is opgenomen in de Geflügel Börse, nummer 8 jaargang 2002, geschreven door Reichenbach.

Moderne tijd en oertijd.

De verdienste unieke dieren uit het land van herkomst in Europa ingevoerd te hebben komt toe aan Mathias Holler uit Stuttgart. Hij had 70 jaar geleden al Damasceners in zijn Zuid Oost Europees vaderland. Toen bracht hij Damasceners eind jaren 50 naar zijn toenmalige domicilie Frankrijk en in het begin van de zestiger jaren naar Duitsland als gevolg van zijn verhuizing. Hij bracht de duiven en stelde een ontwerp rasbeschrijving op met als doel erkenning van het ras. Als lid van de BZA had ik toen de opdracht dit ontwerp te controleren en eventueel te bewerken. In 1962 werden de Damasceners erkent. Daarbij kwam aan het licht dat het ras daarvoor nimmer officieel in Duitsland erkent was. In geen enkele standaard vóór 1970 is ze opgenomen. Zo is het ook een farce toen het ras in de DDR kwam en daar in 1969 werd besloten tot een "opnieuw erkennen" en in 1975 opname in de standaard plaatsvond. Een energieke Tsjechische fokker zorgde voor de erkenning in zijn land ongeveer in het begin van de negentiger jaren.

Een speciaalclub werd bij ons in 1973 gesticht. Sindsdien ging het met verspreiding en rasverbetering van de Damasceners vlot voorwaarts. Zo werd tijdens de millenniumshow in Neurenberg 2000 bijna 300 Damasceners tentoongesteld! Richtinggevende artikelen schreef vooral Ingolf Jungnickel gedurende twee decennia.

Deze Europese en Amerikaanse inventarisatie van de Damascenerduif op basis van literatuur verleent ons inzicht in een toch bescheiden kennis en verspreiding van het ras in voorbije eeuwen. Zelfs in de laatste eeuw schreef dr. Trübenbach in Der Taubenzüchter, 1924: "ik kan me niet herinneren, deze in de laatste 20 jaar hier op tentoonstellingen gezien te hebben, echter gaf er bij ons wel wat fraais in de jaren 80 en 90."

Voorts is verbazend de in Engeland steeds weer genoemde Turkse afstamming. Ook na het ontstaan van de naam Damascener heeft men zich op het eiland verder in het geheel niet geïnteresseerd in de herkomst. Hieraan was blijkbaar debet de steeds uit Turkije komende importen. De Griek Gardia vertelde in Engeland dat deze duiven in de dertiger jaren van de 19e eeuw in Smyrna (tegenwoordig Iszmir) zo veelvuldig waren dat ze werden gegeten. Daar toendertijd ongebruikelijk. Later zouden ze zeer zeldzaam zijn geworden.

In het nabije oosten is de Damascener vermoedelijk nooit zeldzaam geweest. Nu mogen we dit echter niet meten aan wat wij gewoon zijn. Daar zijn geen speciaalfokkers zoals bij ons. Wie fokt heeft veel rassen en ook elk hok bestaat uit duiven van verschillende rassen, waaronder Damasceners. Overigens zijn er sporadisch gekraste dieren. Twee keer kreeg ik ze uit Syrië en gaf ze door aan fokkers van Damasceners.

Jammer genoeg is daar vermoedelijk niets van terecht gekomen. Het zou de enige kleurslag kunnen zijn die men nog zou kunnen accepteren. In Syrië zag ik ook steeds weer vliegduiven uit een kruising tussen Damasceners en blauwwit geschubde Libanon duiven, die vanwege hun hooggestelde, slanke, maar krachtige type en hun temperament zeer geliefd zijn. Nu vermeldt al sinds 1992 de standaard van de Damascener "Oorsprong: Oriënt;. Waarschijnlijk het oudste duivenras, tenminste tot 3000 jaar terug te volgen." In de voorafgaande versie stond nog een zin over de "bijnamen Mohammed- of Jeruzalemer Damascener." Dat alles vindt zijn oorsprong bij wijlen M. Holler. Echter zijn beschrijvingen stroken niet altijd met de waarheid of kunnen niet bevestigd worden. Die "3000 jaar" werd toen door de BZA geaccepteerd, aangezien er een passage in "Amor und Psyche" staat, opgetekend in de tweede eeuw door Apuleius, waarbij men aan Damasceners zou kunnen denken. Er staat daar geschreven: "Zo liet ze (Venus) zich, om ten Hemel te rijden, de gouden wagen voorspannen, een huwelijksgeschenk van Vulkan, mooi bewerkt en van kostbaar politoer. Uit de grote schare duiven, die zich rondom het slaapvertrek van de meesteres nestelden, kwamen vier witte aan geparadeerd en spanden ze zich, de gespikkelde halzen hen en weer draaiend, gewillig aan de met edelstenen bezette wagen. Toen de meesters ingestapt was, vlogen ze blij ten Hemel..."

Wat eindelijk vergeten moet worden.

In het algemeen is het nauwelijks mogelijk om uit oude documenten of geschriften over duivenrassen conclusies te trekken met betekenis voor nu. Er kunnen hooguit bepaalde voorouders worden vermoed.

De problematiek van het onderzoek naar de duivendomesticatie is voortreffelijk beschreven in het boek van Daniel Haag "Die Taube" (1998). Echter M. Holler schreef in een artikel van Geflügel-Börse 12/1966 enig gefantaseer over de geschiedenis van de Damascener, die naar onze huidige stand van de kennis gecorrigeerd moet worden. Dat des te meer, omdat dit tot nu toe onnadenkend nageschreven wordt, bijvoorbeeld in het informatieboekje van de Damascener Club Duitsland (1998) en in "Die Rassetaube", aflevering 1/1999. Slechts de ergste punten zullen worden genoemd:

Damasceners zouden "een gelukkige kruising tussen twee rotsduiven" zijn en zouden tot vandaag in de oervorm zonder degeneratie in stand zijn gebleven. De wetenschap kent talrijke rotsduivenrassen, echter niet die van de heer Holler! Hoe de oervorm eruit zag en dat ze tot nu in stand zijn gebleven weet ook alleen Holler. Hun "juiste land van oorsprong" kan niet onder andere "in het huidige Jemen" gelegen hebben, wanneer hij later schrijft, de koningin van Saba heeft deze duif als geschenk van koning Salomon naar huis (in Jemen) meegebracht. En het uit in grafmonumenten gevonden duivenbotten Damascener botten te herkennen, is zelf met de modernste wetenschappelijke methoden onmogelijk. Voor het overige is het aan de "cadeauduiven" van heersers steeds de Damascener status toe te schrijven, een zuivere "Holler gedachte".

Eigenaardig is dat Holler de Arabische naam "búz" nimmer beschrijft. Kennelijk was hij nooit in de eigenlijke geboortestreken in het nabije oosten. Bedenkelijk is de naam "Mohammedduif" te verklaren middels eeuwenoude politiek religieuze auteurs, hetgeen nu eindelijk uit onze vakliteratuur moet worden geschrapt.

Zonder twijfel is de Damascener een van de oudste duivenrassen, dat werd me in het nabije oosten veelvuldig bevestigd. Echter exacter weten we niet. Zeker is de betekenis van het ras verbonden met de opvallende ijskleur. Het ontstaan daarvan en de verspreiding gedurende eeuwen en over de continenten ooit eens te onderzoeken vereist verdere studie.

Onderstaand artikel staat in Geflügel-Börse nummer 8 2002. Het is geschreven door Mohammed Tabche.

De Damascener en de Islam

In het artikel "25 jaar speciaalclub, historie en ontwikkeling van de Damascenerduif" van Willi Wilbs en Günther Resch (Rassetaube 1/99) worden in de inleiding (de geschiedenis van de Damascenerduif) beweringen naar voren gebracht die niet met de waarheid overeenkomen. Opnieuw moet de Koran, het heilige boek van de Moslims, opdraaien als bron voor niet bewezen beweringen.

Citaat: "In de Koran staat, dat Allah een kleine Jeruzalemer Duif (Damascener) met de geboden van de profeet de woestijn instuurde. Door dit bericht werd de duif een heilig dier." Het is niet verwonderlijk dat de betreffende passage in de tekst (soera = hoofdstuk van de Koran) niet wordt genoemd, ze bestaat namelijk in het geheel niet!

Nergens wordt in de Koran vermeld dat Mohammed zijn openbaringen via een duif ontvangen heeft, veeleer geloven de Moslims dat de boodschapper de engel Gabriël was (soera Al Baqarah, vers 98). Daarenboven worden in de Islam duiven noch andere dieren of mensen als "heilig" vereerd. De bijnaam "Mohammed duif" voor de Damascenerduif is in de Islamitische wereld niet bekend, daarentegen ligt de oorsprong van dit begrip in het christelijke Europa, waar het meer dan 300 jaar geleden voor het eerst wordt gebruikt. Toen werd door de Europeanen onjuiste verhalen over de profeet Mohammed verspreid met het doel het Islamitische geloof in een kwaad daglicht te stellen.

In "Columbarium" van Moore uit het jaar 1735 wordt beweerd: Mohammed zou een list hebben toegepast, om de lichtgelovige arabieren van de goddelijke oorsprong van zijn openbaringen te overtuigen: Hij zou een jonge witte Damascenerduif (wit, als zinnebeeld voor de reinheid en hemelse afkomst) hebben afgericht graanvoer uit zijn oor te pikken. Daardoor zou er bij zijn aanhangers de indruk ontstaan dat deze vogel een Heilige Geest is, die hem de Goddelijke geboden influistert. Vanaf deze tijd zou deze duif als "Mohammed duif" aangeduid worden. De profeet van de Islam werd bijgevolg zonder meer bedrog toegedicht. Bovendien moet nog opgemerkt worden, dat de Heilige Geest zijn oorsprong heeft in de christelijke religie. De Islam kent het drie-eenheidbegrip (Vader - Zoon - Heilige Geest) niet.

Jammer genoeg heeft de benaming "Mohammed duif" voor de Damasceners hier in Europa tot vandaag de dag hardnekkig stand gehouden, en er duiken in de vakliteratuur steeds weer fantastische en sprookjesachtige verhalen op, die zich om de afkomst van deze naam weven. Voor de toekomst zou ik de auteurs van artikelen over Arabische rasduiven graag hartelijk willen verzoeken voor de publicatie van hun relaas zorgvuldig onderzoek te doen, niet eenvoudig reeds voorhanden berichten over te nemen en in het bijzonder wanneer religieuze onderwerpen aangesneden worden, te onderzoeken of de beweringen ook kunnen worden bewezen. (Het is niet voldoende de Koran als bron te vermelden, zonder de betreffende tekstpassage aan te geven).

Wat leert nu deze rondgang door de duivengeschiedenis via de overlevering door de literatuur? In ieder geval dat niet met zekerheid een heldere ontstaanslijn is vast te stellen van de Damascener. Dat is ook niet zo verwonderlijk bij dit al eeuwen oude ras en het gegeven dat uiteindelijk alle duiven als mutaties zijn ontstaan uit de klipduif. Wat wel is vast te stellen is dat de geboorte van het ras moet worden gezocht in Zuidwest Azië. Dat het om een zeer oude kleurmutatie gaat die bij een beperkt aantal rassen, ook van zeer oude datum voorkomt. Dat de dieren genetisch aan de oorsprong staan dan wel zijn verwant met wat we heden ten dage de vormduiven, inclusief de wamduiven en daarmee impliciet de Aziatische Meeuwen, alsmede de wratduiven noemen. Verder valt te constateren dat de duif door de jaren heen niet tot een extremiteit is gefokt, daar het betrekkelijk dicht is blijven staan bij het oertype met een evolutie van de kleur plus de kop en de laatste jaren van het type.